Tanzaniaanse grasrat

Gepubliceerd op:
30 november 2023

Dit dier staat niet op de huis- en hobbydierenlijst.

Hieronder leest u de beoordeling over dit dier.

Algemene informatie

Algemene informatie (Cassola, 2016 ; Denys et al., 2017)
Familie Muridae
Subfamilie Murinae
Genus Arvicanthis
Soort Arvicanthis neumanni
Gedomesticeerd Nee
Kruising Nee
Volwassen grootte
  • Kop-romp: 115-160 mm
  • Staart: 88-18 mm
Gewicht 48-72 g
Dieet Herbivoor
Natuurlijke leefomgeving
  • Verspreiding: Laag liggende savannes in Oost-Afrika, van Noord-Ethiopië en NoordSomalië tot Centraal-Tanzania.
  • Habitat: Droge Somali-Masaï graslanden en savannes met weinig grond vegetatie, van 400 m tot 1500 m.
Levensverwachting 2 jaar
IUCN-status “Least Concern”
CITES Niet vermeld

Risicoklasse F

Bij Tanzaniaanse grasratten is een zeer hoog-risico zoönotisch pathogeen aangetoond. Daarnaast zijn in vier risicocategorieën voor “gezondheid en welzijn dier” één of meerdere risicofactor(en) vastgesteld. Om deze reden valt de Tanzaniaanse grasrat onder “risicoklasse F”.

Samenvatting beoordeling van de Tanzaniaanse grasrat

Indien er sprake is van één of meerdere relevante ernstige zoönose(n) die slechts met gespecialiseerde maatregelen beheersbaar is/zijn wordt de risicofactor aangekruist (!), maar telt deze niet mee in de eindscore. Indien er sprake is van een relevante ernstige zoönose die niet of nauwelijks beheersbaar is of er sprake is van risico op ernstige letselschade komt de diersoort direct onder risicoklasse F te vallen (XF). Indien de risicofactor van toepassing is, wordt deze aangekruist (X).

Gezondheid mens
Risicocategorie Fok Wildvang Toelichting
Zoönosen ! (signalerend) XF (zeer hoog risico) Bij de Tanzaniaanse grasrat is het zeer hoog-risico zoönotische pathogeen Leptospira interrogans aangetoond, waardoor de Tanzaniaanse grasrat alleen in geval van wildvang direct onder risicoklasse F valt. Daarnaast zijn bij sympatrische en aanverwante Murinae de (zeer) hoog-risico zoönotische pathogenen Dobrava-Belgrade virus, Seoul virus, Coxiella burnetii, Francisella tularensis, Streptobacillus moniliformis, en Yersinia pestis aangetoond.
Letselschade     De risicofactor in deze risicocategorie is niet van toepassing.
 

 

Gezondheid en welzijn dier
Risicocategorie Van toepassing Toelichting
Voedselopname X Tanzaniaanse grasratten moeten dagelijks langdurig foerageren.
Ruimtegebruik/veiligheid X
  • Tanzaniaanse grasratten gebruiken een afgezonderde nestplaats.
  • Tanzaniaanse grasratten gebruiken uitsluitend zelf gegraven holen.
Thermoregulatie X De Tanzaniaanse grasrat is aangepast aan een tropisch klimaat en een droog tropisch en subtropisch klimaat.
Sociaal gedrag X
  • Tanzaniaanse grasratten hebben een dominantiehiërarchie.
  • Tanzaniaanse grasratten hebben een grote kans op overbevolking.

Beoordeling per risicofactor

Risico's voor de mens

Zoönosen
Risicofactor Fok Wildvang Toelichting
LG1 ! XF (zeer hoog risico) Bij de Tanzaniaanse grasrat is het zeer hoog-risico zoönotische pathogeen Leptospira interrogans aangetoond (Katakweba et al., 2012), waardoor de Tanzaniaanse grasrat in geval van wildvang direct onder risicoklasse F valt. Daarnaast zijn bij sympatrische en aanverwante Murinae de (zeer) hoog-risico zoönotische pathogenen Dobrava-Belgrade virus (Oktem et al., 2014; Weidmann et al., 2005), Seoul virus (Denys et al., 2017; McCaughey et al., 1996), Coxiella burnetii (Heisch et al., 1962; Reusken et al., 2011; Yadav et al., 1979), Francisella tularensis (Dobay et al., 2015), Streptobacillus moniliformis (Elliott, 2007), en Yersinia pestis (Batra et al., 1996; Moore et al., 2015; Mostafavi et al., 2018) aangetoond.

 

Letselschade
Risicofactor Van toepassing Toelichting
LG2   Op basis van de grootte, morfologie en het gedrag van Tanzaniaanse grasratten is het niet aannemelijk dat de dieren ernstig letsel zullen veroorzaken bij de mens (Denys et al., 2011). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

Risico's voor dierenwelzijn/diergezondheid

Voedselopname
Risicofactor Van toepassing Toelichting
V1   De Tanzaniaanse grasrat is een mixed-feeder (Denys et al., 2017; Massawe et al., 2008; Mulungu, 2017). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V2   De Tanzaniaanse grasrat heeft geen hypsodonte gebitselementen (Denys et al., 2017; Lacher et al., 2016). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
V3 X Er is geen wetenschappelijke literatuur gevonden over hoeveel tijd de Tanzaniaanse grasrat dagelijks spendeert aan foerageren. De aanverwante soort binnen hetzelfde genus de koesoegrasrat (A. niloticus) heeft overeenkomsten in ecologie, dieetkeuze en foerageergedrag (Denys et al., 2017; Makundi et al., 2009). De koesoegrasrat is selectief in zijn voedselkeuze, wat tijdsintensief kan zijn. Bovendien zijn koesoegrasratten fysiologisch aangepast aan een plantaardig dieet en doen ze aan coprofagie (Orsar & Agbelusi, 2006; Varshavskiy & Varshavskiy, 2015). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
V4   Het dieet van Tanzaniaanse grasratten bestaat uit wortels, vruchten en zaden van meerdere wilde en gecultiveerde plantensoorten (Denys et al., 2017; Mulungu, 2017). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Ruimtegebrek/veiligheid
Risicofactor Van toepassing Toelichting
R1   Er is geen wetenschappelijke literatuur gevonden over het home range gebruik van de Tanzaniaanse grasrat. Het wordt niet aannemelijk geacht dat zij territoriaal zijn, gezien de nauw verwante koesoegrasrat niet territoriaal is (Denys et al., 2017). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R2 X Tanzaniaanse grasratten gebruiken een afgezonderde nestplaats (Denys et al., 2017). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R3   Er is geen wetenschappelijke literatuur gevonden over een sterke, blindelingse vluchtreactie, maar het bestaan hiervan wordt ook niet aannemelijk geacht gezien Tanzaniaanse grasratten gebruik maken van een hol (Denys et al., 2017). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
R4 X Tanzaniaanse grasratten gebruiken uitsluitend zelf gegraven holen onder Acaciabomen (Denys et al., 2017). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
R5   Voor Tanzaniaanse grasratten zijn er geen specifieke omgevingselementen essentieel (Denys et al., 2017). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Thermoregulatie
Risicofactor Van toepassing Toelichting
T1 X

Tanzaniaanse grasratten leven in een tropisch klimaat en een droog tropisch en subtropisch klimaat (Cassola, 2016; Schultz, 2005). De temperatuur ligt gemiddeld tussen de 15 en 30 °C (Massawe et al., 2008). In de semi-aride gebieden waar de Tanzaniaanse grasrat voorkomt, varieert de gemiddelde jaarlijkse neerslag, maar is maximaal 500 mm (Massawe et al., 2008; Schultz, 2005).

De Tanzaniaanse grasrat is aangepast aan een tropisch klimaat en een droog tropisch en subtropisch klimaat. Deze risicofactor is daarom van toepassing.

T2   Er is geen wetenschappelijke literatuur gevonden over het gebruik van zoel-, koel-, of opwarmplaatsen. Het gebruik hiervan wordt ook niet aannemelijk geacht omdat Tanzaniaanse grasratten gebruik maken van een hol (Denys et al., 2017). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
T3   Tanzaniaanse grasratten zijn jaarrond actief (Massawe et al., 2008). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.

 

Sociaal gedrag
Risicofactor Van toepassing Toelichting
S1   Tanzaniaanse grasratten hebben een groepsgewijze leefwijze met meerdere vrouwtjes, mannetjes en hun nakomelingen (Denys et al., 2017; Granjon & Ducroz, 2013). Deze risicofactor is daarom niet van toepassing.
S2 X Tanzaniaanse grasratten zijn sociale dieren en leven in groepen (Denys et al., 2017; Granjon & Ducroz, 2013). De aanverwante soort binnen hetzelfde genus de koesoegrasrat (A. niloticus) met overeenkomsten in ecologie en leefwijze heeft een dominantiehiërarchie, waarbij mannetjes agressief zijn naar niet-verwante mannetjes (Delany & Monro, 1985; Subramaniam et al., 2018). Deze risicofactor is daarom van toepassing.
S3 X Vrouwtjes kunnen meerdere worpen per regenseizoen hebben. Vrouwtjes krijgen per worp tot 11 jongen (Massawe et al., 2008). Er is geen wetenschappelijke literatuur gevonden over de duur van de dracht, maar het is aannemelijk dat deze ongeveer 23 dagen duurt gezien de sympatrische en nauw verwante koesoegrasrat een dracht van 21-23 dagen heeft (Denys et al., 2017). Tanzaniaanse grasratten hebben een grote kans op overbevolking. Deze risicofactor is daarom van toepassing.

Verwijzingen

Batra, H., Tuteja, U. & Agarwal, G. (1996). Isolation and identification of Yersinia pestis responsible for the recent plague outbreaks in India. Current Science. 787-791.

Cassola, F. (2016). Arvicanthis neumanni. The IUCN Red List of Threatened Species 2016. Opgehaald van IUCN: doi:10.2305/IUCN.UK.2016-3.RLTS.T2148A22460851.en

Delany, M. J. & Monro, R. H. (1985). Movement and Spatial Distribution of the Nile Rat (Arvicanthis niloticus) in Kenya. Journal of Tropical Ecology. 1(2). 111-130.

Denys, C., Taylor, P., Burgin, C., Aplin, K., Fabre, P.-H., Haslauer, R., . . . Menzies, J. (2017). Family MURIDAE (TRUE MICE AND RATS, GERBILS AND RELATIVES). In D. Wilson, T. Lacher Jr. & R. Mittermeier, Handbook of the Mammals of the World. Vol. 7. Rodents II (pp. 536-886). Barcelona: Lynx Edicions.

Dobay, A., Pilo, P., Lindholm, A., Origgi, F., Bagheri, H. & König, B. (2015). Dynamics of a Tularemia Outbreak in a Closely Monitored Free-Roaming Population of Wild House Mice. PLoS One. 10(11).

Elliott, S. (2007). Rat bite fever and Streptobacillus moniliformis. Clinical Microbiology Reviews. 20(1). 13-22.

Granjon, L. & Ducroz, J. F. (2013). GENUS Arvicanthis Grass Rats. In D. Happold, Mammals of Africa. Volume III: Rodents, Hares and Rabbits (pp. 379-388). London: Bloomsbury Publishing.

Heisch, R., Grainger, W., Harvey, A. & Lister, G. (1962). Feral aspects of Rickettsial infections in Kenya. Transactions of the Royal Society of Tropical Medicine and Hygiene. 56(4). 272-282.

Katakweba, A. A., Mulungu, L. S., Eiseb, S. J., Mahlaba, T. A., Makundi, R. H., Massawe, A. W., Borremans, B. & Belmain, S. R. (2012). Prevalence of haemoparasites, leptospires and coccabacili with potential for human infection in the blood of rodents and shrews from selected localities in Tanzania, Namibia and Swaziland. African Zoology. 47(1). 119-127.

Lacher Jr., T., Murphy, W., Rogan, J., Smith, A. & Upham, N. (2016). Evolution, phylogeny, ecology and conservation of the Clade Glires: Lagomorpha and Rodentia. In D. Wilson, T. Lacher Jr. & R. Mittermeier, Handbook of the Mammals of the World. Vol. 6. Lagomorphs and Rodents I (pp. 15-28). Barcelona: Lynx Edicions.

Makundi, R. H., Massawe, A. W., Mulungu, L. S. & Katakweba, A. (2009). Species diversity and population dynamics of rodents in a farm-fallow field mosaic system in Central Tanzania. African Journal of Ecology. 48. 313-320.

Massawe, A., Mrosso, F., Makundi, R. & Mulungu, L. (2008). Breeding patterns of Arvicanthis neumanni in central Tanzania. African Journal of Ecology. 46. 320-324.

McCaughey, C., Montgomery, W., Twomey, N., Addley, M., O'neill, H. & Coyle, P. (1996). Evidence of hantavirus in wild rodents in Northern Ireland. Epidemiology and Infection. 117. 361-365.

Moore, S. M., Monaghan, A., Borchert, J. N., Mpanga, J. T., Atiku, L. A., Boegler, K. A., Montenieri, J., MacMillan, K., Gage, K. L. & Eisen, R. J. (2015). Seasonal fluctuations of small mammal and flea communities in a Ugandan plague focus: evidence to implicate Arvicanthis niloticus and Crocidura spp. as key hosts in Yersinia pestis transmission. Parasites & Vectors. 8(11).

Mostafavi, E., Ghasemi, A., Rohani, M., Molaeipoor, L., Esmaeili, S., Mohammadi, Z., Mahmoudi, A., Aliabadian, M. & Johansson, A. (2018). Molecular Survey of Tularemia and Plague in Small Mammals From Iran. Frontiers in Cellular and Infection Microbiology. 8(215).

Mulungu, L. (2017). Control of rodent pests in maize cultivation: the case of Africa. In D. Watson, Achieving sustainable cultivation of maize. Volume 2: Cultivation techniques, pest and disease control. Cambridge: Burleigh Dodds Science Publishing Limited.

Oktem, I., Uyar, Y., Dincer, E., Gozalan, A., Schlegel, M., Babur, C. & Matur, F. (2014). DobravaBelgrade virus in Apodemus flavicollis and A. uralensis mice, Turkey. Emerging Infectious Diseases. 20(1). 121-125.

Orsar, T. J. & Agbelusi, E. A. (2006). Foraging habits of the Nile rat, Arvicanthis niloticus, in the Guinea Savanna of Nigeria. South African Journal of Wildlife Research. 36(1). 69-74.

Reusken, C., van der Plaats, R., Opsteegh, M., de Bruin, A. & Swart, A. (2011). Coxiella burnetii (Q fever) in Rattus norvegicus and Rattus rattus at livestock farms and urban locations in the Netherlands; could Rattus spp. represent reservoirs for (re) introduction? Preventive Veterinary Medicine. 101(1-2). 124-130.

Schultz, J. (2005). The ecozones of the world, the ecological divisions of the geosphere. Aachen, Germany: Springer.

Subramaniam, A., Landstrom, M., Luu, A. & Hayes, K. C. (2018). The Nile Rat (Arvicanthis niloticus) as a Superior Carbohydrate-Sensitive Model for Type 2 Diabetes Mellitus (T2DM). Nutrients. 10(235). 1-32.

Vershavskiy, Al. A. & Vershavskiy, A. A. (2015). Cellobiohydrolase Activity in the Digestive Tract of Two African Rodent Species, the African Grass Rat Arvicanthis niloticus and Vlei Rat Otomys helleri. Biology Bulletin. 42(3). 269-272.

Weidmann, M., Schmidt, P., Vackova, M., Krivanec, K., Munclinger, P. & Hufert, F. (2005). Identification of Genetic Evidence for Dobrava Virus Spillover in Rodents by Nested Reverse Transcription (RT)-PCR and TaqMan RT-PCR. Journal of Clinical Microbiology. 43(2). 808-812.

Yadav, M., Rarotra, J. & Sethi, M. (1979). The Occurrence of Coxiellosis among Rodents and Shrews in the Tarai Area of Uttar Pradesh. Journal of Wildlife Diseases. 15(1). 11-14.

Bent u tevreden over deze pagina?